Thomas van Aquino bewijst dat God bestaat en geloof wordt behandeld en uitgelegd, terwijl wordt omgegaan met cultuur @NCRegister – J.Grondelski

HomeGeloof en LevenThomas van Aquino bewijst dat God bestaat en geloof wordt behandeld en...

BOEKENSELECTIE: Leesvoer voor onze tijd
(Redactie: vier verschillende boekbesprekingen)

John GrondelskiBoeken; 10 september 2022

Een boek voor een zacht prijsje grondvest bewijs voor het bestaan van God op eerste beginselen, de rede

EEN KATHOLIEKE WETENSCHAPPER BEWIJST DAT GOD BESTAAT

Door Gerard Verschuuren

Sophia Institute Press, 2019, 185 pagina’s, $5 Om te bestellen: sophiainstitute.com of (800) 888-9344

In Boelgakovs De meester en Margarita ontmoet de duivel Berlioz en Bezdomny in een park in Moskou en vraagt hen of ze in God geloven. Op het antwoord “nee” ondervraagt hij hen over de “Vijf Bewijzen” van Gods bestaan. Berlioz, sprekend namens alle “verlichte” mensen, wijst ze eenvoudig van de hand: “Geen van deze bewijzen is geldig. U moet het ermee eens zijn dat er rationeel gezien geen bewijs voor het bestaan van God kan zijn.”

Gelukkig doet Gerard Verschuuren dat niet. Dit boek is een uitgebreide, logische uitleg van Thomas van Aquino’s Vijf Bewijzen en de implicaties die daaruit voortvloeien voor de eigenschappen van God. Het onderzoekt ook de leerstellingen van de Drie-eenheid en de Menswording op hun verenigbaarheid met de rede en het sluit af met het slopen van de bewering dat alle religies werkelijk dezelfde god aanbidden. Door de discussie in vraag-en-antwoord formaat op te zetten – niet anders dan bij Thomas van Aquino – kan Verschuuren bezwaren pareren.

De auteur, een bioloog, erkent dat “de wetenschap die macht niet heeft, als we een bewijs [van Gods bestaan] willen in de zin van dat het zeker en onweerlegbaar is.” De titel van het boek kietelt de grillen van hedendaagse vooroordelen: hoe geweldig zou het zijn als een “wetenschapper” bewees dat God bestaat! Hoe overtuigd zouden we zijn als we God konden “bewijzen” zoals we E = mc² bewijzen. (Op de een of andere manier vermoed ik, dat mensen nog steeds voor hem op de vlucht zouden slaan.)

Als wetenschapsfilosoof laat Verschuuren de lezers echter zien dat, hoe verbazingwekkend de wetenschap ook is, haar bereik toch beperkt is. Om met de Bard te spreken: “Er zijn meer dingen in de hemel en op aarde dan waar in jullie wetenschap van gedroomd wordt.” Sommige daarvan kennen we zelfs: waarheid, goedheid, schoonheid, liefde. Ze zijn werkelijk (red.: bestaan echt), maar niet “wetenschappelijk”.

Verschuuren geeft een mooi voorbeeld van hoe verschillende manieren om naar de werkelijkheid te kijken onverwachte waarheden bieden: “Als we in de wiskunde één bij één optellen, is het resultaat noodzakelijkerwijs twee (1+1=2); maar als we een druppel water bij een andere druppel water optellen, is het resultaat niet twee druppels maar één druppel (1+1=1); en als we een organisme bij een ander organisme optellen, kunnen we er uiteindelijk drie of meer van krijgen (1+1 ≥3).”

Verschuuren neemt de lezer mee op een tour de force van de filosofie, waarbij hij bewijs voor het bestaan van God grondt in eerste beginselen, fundamentele waarheden van de rede die men niet kan ontkennen zonder alle denken onmogelijk te maken.

Zorgvuldig, stap voor stap leidt hij van die eerste beginselen naar een begrip van God waartoe ieder mens, door gebruik te maken van zijn redenerend verstand, zou kunnen komen:

“Gebaseerd op een vooronderstelling met een evidente, voor zich sprekende, universele uitspraak, leidt het betoog ons onomstotelijk naar God als het Bestaan Zelf, een Noodzakelijk Zijnde, de Eerste Oorzaak, de Kosmische Ontwerper, en een Eeuwig Intellect. Het bestaan van deze Zijnde kan niet worden ontkend zonder de voor zich sprekende universele uitspraak te verwerpen waarmee het betoog begint.”

Vanuit deze basis, gaat hij verder:

“Op basis van deze bewijzen kunnen we logischerwijs afleiden dat deze Zijnde uniek, onzichtbaar, geheel-volmaakt, alomtegenwoordig, alwetend, volledig goed, en volledig liefhebbend moet zijn. Het bestaan van deze Zijnde afwijzen is in de eerste plaats onlogisch. Maar als deze Zijnde wel bestaat, dan zou het ontkennen van zijn bestaan ook [een] belediging zijn van God zelf.”

Verschuuren erkent dat de visie van de God van de Openbaring rijker is dan de God van de Rede, maar is ook uitgesproken over de noodzaak van de rede naast het geloof. Hij geeft ook toe dat, hoewel het bewijs voor Gods bestaan theoretisch voor iedereen beschikbaar is, filosofisch redeneren moeilijk is en kan ontsporen. Begrippen als “oorzaak”, “gevolg”, “tijd”, “ruimte”, “aanwezigheid” en “eeuwig” zijn allemaal bedrieglijk eenvoudig – totdat we de weg kwijtraken door geen onderscheid te maken tussen eerste en tweede oorzaken of door te denken dat “eeuwigheid” gewoon een heel, heel lange “tijd” is, waarbij we vergeten dat zelfs tijd moest worden geschapen (met de Big Bang), “vóór welk punt” er geen tijd bestond – maar God was er wel. De auteur leidt de lezer geduldig door deze vormen van onderscheid. Verrijkende lectuur.

Hoe 3 geloofsijveraars het weefsel van het Amerikaanse debat op maat sneden

RELIGIE IN HET PUBLIEKE DOMEIN: SHEEN, KING, FALWELL

James M. Patterson

Universiteit van Pennsylvania Press, 2019, 236 pagina’s, $ 49,95, Om te bestellen: upenn.edu/pennpress/index.html of (855) 867-1907

Hoe zou religie het overheidsbeleid moeten beïnvloeden in een democratische staat die grondwettelijk is uitgesloten van het hebben van een staatskerk? Het steeds agressievere secularisme maakt die vraag vandaag de dag steeds prangender in de Verenigde Staten en andere delen van de westerse wereld, maar die vraag bestaat al sinds de stichting van de republiek.

Dr. James Patterson, universitair hoofddocent politiek aan de Ave Maria Universiteit in Florida, geeft voorbeelden van drie geestelijken die religieuze waarden inbrachten in de Amerikaanse cultuur en het publieke debat in de 20e eeuw: de katholieke apologeet aartsbisschop Fulton J. Sheen, burgerrechtenactivist Martin Luther King, en de beruchte “religieus-rechtse” Jerry Falwell. Patterson schrijft aan de eerste twee de succesvolle integratie van waarden in het openbare leven toe – aartsbisschop Sheen in de strijd tegen het communisme en dominee King in de strijd voor burgerrechten – terwijl hij Falwell verwijt dat hij de aandachtspunten van religie te nauw vereenzelvigt met de specifieke plannen van een politieke partij.

De auteur grijpt terug op Alexis de Tocqueville, auteur van het baanbrekende werk over de Amerikaanse cultuur en politiek, Democracy in America, om op te merken dat Amerika een kans bood die elders in zijn tijd niet beschikbaar was: Door af te zien van de vereniging van altaar en troon, profiteerden alle geestelijken van Amerika van de vrije uitoefening van godsdienst, en dus van de vrijheid om de cultuur vorm te geven.

“Het afzien van staatssteun … bracht een voordeel met zich mee dat het voordeel van staatssteun ver overtrof: de omarming van politieke vrijheid onder geestelijken,” schrijft Patterson. “Voor Tocqueville was het resultaat iets wat in zijn geboorteland Frankrijk voor onmogelijk werd gehouden: een verbond tussen ‘de geest van religie’ en de ‘geest van vrijheid’. … Amerikanen waren afhankelijk van religie om te voorzien in ‘algemene ideeën met betrekking tot God en de menselijke natuur'” d.w.z. de joods-christelijke consensus.

Volgens Patterson gebruikte aartsbisschop Sheen die politieke vrijheid om het naoorlogse Amerikaanse verzet tegen het communisme in de eerste decennia van de Koude Oorlog te versterken, terwijl hij tegelijkertijd het anti-katholicisme hielp uitroeien dat nog steeds het Amerikaanse gedachtegoed infecteerde. Katholieken konden goede Amerikanen zijn, omdat hun theologie aansloot bij wat de grondleggers van Amerika beweerden: dat de mens “door zijn Schepper” – niet door regering of volkscommissaris – “begiftigd is met bepaalde onvervreemdbare rechten”. Aartsbisschop Sheen hielp protestanten zich ervan bewust te worden dat hun rechten op steviger grondvesten berustten dan het juridische positivisme, terwijl hij de beschuldiging die in die tijd typisch tegen katholieken werd ingebracht – dat zij loyaal waren aan een buitenlandse despoot – richtte tegen de rode vijfde colonne, de communistische cellen die tijdens de Koude Oorlog in de Verenigde Staten actief waren.

Evenzo, merkt Patterson op, pakte King een binnenlandse bedreiging aan die even gevaarlijk was voor de gezondheid en het leven van het land als het buitenlandse gevaar van het communisme, door de religieuze visie van “de geliefde gemeenschap” te introduceren als een manier om het burgerrechtenprobleem aan te pakken.

Patterson beweert dat King’s visie expliciet religieus was, en niet alleen doelmatig. Burgerrechten zouden niet (alleen) door de wet worden verkregen, maar in de eerste plaats door verandering van harten. “King probeerde agape te gebruiken als een gemeenschappelijke waarde die een brug kon slaan tussen verschillende religieuze denominaties om de burgerrechten breder te ondersteunen,” schrijft de auteur. “Hij streefde ernaar manieren te laten zien waarop figuren van alle religieuze achtergronden de soorten offers vertoonden die hij van blanke en Afrikaanse Amerikanen eiste,” de eersten om af te zien van hun wettelijke privileges, de laatsten om af te zien van geweld, beide omwille van broederschap onder één Vader in één verbond, bezield door religieuze waarden maar burgerlijk in zijn effecten; de geestelijke van de burgerrechten uit de zestiger jaren was als de profeet uit het Oude Testament, die de natie herinnerde aan het lidmaatschap van de verbondsgemeenschap.

In tegenstelling tot deze twee andere geestelijken-activisten, zegt Patterson, ondermijnde de oudere Falwell dit gemeenschappelijke en inclusieve perspectief: “De zekerste manier om de heilzame dienstbaarheid [van de maatschappij] aan het religieuze dogma ongedaan te maken zou zijn dat de geestelijken partij zouden kiezen in partijgeschillen,” schrijft Patterson. Dit is wat hij Falwell verwijt te doen. Maar de verwatering van “religieus dogma,” betoogt Patterson, laat de Amerikaanse samenleving niet zonder dogma (letterlijk: dogma-loos).

“Religieus dogma,” merkt hij op, temperde altijd het “dogma van de volkssoevereiniteit,” d.w.z. het gevoel dat mensen konden doen (en rechtvaardigen) wat 50,1% goedkeurde, hetzij uit principe, hetzij voor persoonlijk gewin. Zoals Joseph Ratzinger elders opmerkte, staat de moderniteit ambivalent tegenover de “ethische grondslagen van de wet”, d.w.z. de “onvervreemdbare rechten” die niet open zijn voor democratisch debat, en dat is een cultureel en religieus probleem; een samenleving wordt het meest blijvend veranderd wanneer haar cultuur, niet haar politiek, verandert; predikanten die de cultuur (inclusief de religieuze cultuur) verwarren met de politiek ondermijnen beide.

Religion in the Public Square is een academisch boek dat een nauwkeurige lezing van de gedetailleerde argumentatie vereist. Dat gezegd hebbende, het is het debat van vandaag dat onze betrokkenheid vereist wanneer de fundamenten van ons religieus-burgerlijk leven in twijfel worden getrokken.

Het bestrijden van de onjuiste karakterisering van de Kerk

HET SCHANDAAL DER SCHANDALEN: DE GEHEIME GESCHIEDENIS VAN HET CHRISTENDOM

Manfred Lütz

Vertaling. Beata Vale – Ignatius Pers, 2020 267 pagina’s, $18.95. Te bestellen: ignatius.com of (800) 651-1531

“Narratief ” (red.: vertelling, verhaallijn, verhaalstructuur) is een term die momenteel in de mode is. Volgens die redenering is “geschiedenis” niet zozeer een geheel van objectieve feiten als wel een interpretatie, waardoor de winnaars er goed uitzien.

“Het verhalen” is in zwang geraakt op vele gebieden van de geschiedenis, maar één gebied waar het lange tijd de boventoon heeft gevoerd is de karakterisering van de katholieke kerk. Van de Zwarte Legende tot de Holocaust, een bepaald historisch verhaal schildert de Kerk af als de locus van alle kwaad.

Het probleem is, volgens Manfred Lütz, dat veel daarvan onjuist is.

De auteur doorkruist 2000 jaar christelijke geschiedenis en identificeert alle gebieden waar voortdurend kolen op het hoofd van de Kerk worden gestapeld: Is religie een splijtzwam waar de mensheid het best zonder kan? Leidt monotheïsme tot onverdraagzaamheid? Wat vertelt de geschiedenis ons over de islamitische goedaardigheid? Hoe heeft een gelijkenis de religieuze geschiedenis veranderd? Heeft de Kerk het geloof met geweld bevorderd? Getuigde missionariswerk van culturele intolerantie? Hoe gingen kerk en staat in de Middeleeuwen met elkaar om? Waarom leidde de Kerk de kruistochten (of heksenvervolgingen)? Was de Kerk verantwoordelijk voor anti-Joodse pogroms? Hoeveel mensen werden door de inquisitie afgeslacht? Hoe zit het met de vervolging van Bruno en Galileo? Heeft de kerk de oorspronkelijke bewoners van Amerika tot slaven gemaakt? Waarom vocht de Kerk tegen de Verlichting? Hoe zit het met die pausen uit de 19e eeuw die schoppend en gillend moesten worden meegesleept om “vooruitgang, liberalisme en moderne beschaving” te accepteren? Is dat de reden waarom zij zich “aansloten” bij Hitler en Mussolini en “niets deden” om het Europese Jodendom te redden? (Noot van de uitgever: Lees hier meer over de waarheid.) Is de Kerk niet nog steeds de grootste seksueel onderdrukte bende vrouwenhaters ter wereld? En hoe zit het met de producten van het “ongezonde” klerikale celibaat?

Lütz identificeert niet alleen de aanvallende verhalen, hij onderzoekt de geschiedenis en beantwoordt ze. Zijn antwoorden zijn evenwichtig: Waar wratten zijn, doet hij niet alsof dat niet zo is. Maar evenmin laat hij overdreven verhalen onweersproken door historische feiten, en in hun licht komt de Kerk niet naar voren als de grote infâme.

“Van de geschiedenis van het christendom en de Kerk een schandaal maken is zelf een schandaal. De stand van de internationale historische wetenschap, die in dit boek wordt gepresenteerd en die het christendom nauwgezet heeft bevrijd uit het slib van honderden jaren polemiek … levert verrassende resultaten op.”

Tolerantie is een christelijke uitvinding. Terwijl het klassieke Latijnse tolerantia het verdragen van fysieke lasten en arbeid, onrecht, marteling en geweld betekende, maar nooit het verdragen van andere mensen of hun meningen, zorgden de christenen ervoor dat de betekenis van het woord veranderde. Voortaan zou het worden opgevat als liefdevol respect voor de medemens en verdraagzaamheid jegens andersdenkenden. Deze verandering had te maken met het tweevoudig gebod dat centraal staat in het christelijk geloof.”

De oorsprong van dit boek ligt in een boek van een Duitse historicus uit 2007, dat op zijn beurt een 800 pagina’s tellend weerwoord was op een artikel uit 2000 dat twee millennia kerkgeschiedenis afschilderde als een bijtende vloek in menselijke aangelegenheden. Het antwoord is gezaghebbend, maar Lütz dacht dat de gemiddelde lezer meer nodig had dan een dissertatie van 1,5 uur. Dit is de “Boek van de Maand” inkorting.

De wortels van het boek zijn een pluspunt: het is voornamelijk gebaseerd op Duitse bronnen en geeft inzicht in hoe verschillend en toch gelijksoortig veel “politiek-correcte” verhalen zijn. Maar het geeft ook enkele problematische vooroordelen, bijvoorbeeld, terwijl Lütz de kerkelijke leer over anticonceptie krachtig verdedigt, vermeldt hij ook de Duitse pastorale “vraag niet, zeg niet”-strategie, met de opmerking “nog steeds, besluiten katholieke vrouwen aan de hand van hun eigen geweten of ze de leer van de Kerk volgen.” Gezien de overgebleven Duitse schuldgevoelens over het nazisme, heeft hij ook de neiging om bijna alle “nationalistische” houdingen negatief af te schilderen.

We leven in een tijdperk waarin het “verhaal” voor het grijpen ligt en, Franklin indachtig, “de geschiedenis door de winnaars wordt verzonnen als excuus om de verliezers op te hangen”. Katholieken zouden hun geschiedenis eens kunnen bijspijkeren met Lütz.

De inzichten van het Boek Openbaring over communiceren met de cultuur

DE CHRISTUS VAN DE APOCALYPS: BESCHOUWEN VAN DE GEZICHTEN VAN JEZUS IN HET BOEK DER OPENBARING

Door Mgr. A. Robert Nusca

Emmaus Road Publishing, 2018, 252 pagina’s, $24,95, Te bestellen: emmausroad.org of (740) 264-9535

Het Boek Openbaring kan worden beschouwd als een theologische Rorschach-test, omdat interpretaties van zijn apocalyptische visioenen vaak meer zeggen over hun interpretatoren dan over de openbaring van Johannes. Minder een angstaanjagende profetie van de eindtijd dan een boodschap van troost – de wederkomst van Christus betekent de uiteindelijke triomf van God en het goede – was Openbaring te lezen op de zondagen van de Paaslezingen in jaar C (2022).

Het zes hoofdstukken tellende boek van Mgr. Robert Nusca bestudeert de “gezichten van Jezus in het Boek Openbaring”. Drie van die gezichten – “Jezus de verheerlijkte engel” die te midden van de kandelaren van de zeven gemeenten wandelt (1:12-20); als Messiaanse Leeuw/Lam Gods; en als Goddelijke Krijger – worden direct in de bijbeltekst gevonden. 

Wat ik het meest intrigerend vond was het langste hoofdstuk, “Een Vierde Gezicht.” De auteur behandelt het boek Openbaring als een “icoon”. Als een icoon “theologie in kleur” is, dan staat de visuele beeldtaal van Openbaring “op de grens tussen woord en beeld,” met een uitwerking op de lezer die verder gaat dan woorden om uit te drukken aangezien ze verder dan zichzelf verwijzen, naar de ultieme werkelijkheid. Want in laatste instantie gaat het in Openbaring niet alleen om wat er in de toekomst zal plaatsvinden, maar om de ultieme werkelijkheid en ‘wat is’ (letterlijk: ‘de dingen die zijn’). Op die manier is de tekst van de Apocalyps een icoon en een deur die de weg opent naar het nieuwe Jeruzalem”.

Dit “vierde gezicht” dat Mgr. Nusca onderzoekt, is het gezicht van Christus dat de christen die de verlokkingen van deze voorbijgaande wereld afwijst, beloofd wordt te verkrijgen. “Johannes’ opmerkelijke oscillerende portret [is] van de uiteindelijke bestemming van de menselijke persoon in Christus – gekroond, onsterfelijk gemaakt, engelachtig gemaakt, versterkt, verheerlijkt en vergoddelijkt door hun deelhebben aan het mysterie van het Kruis,” dat één ding onmiddellijk en dwingend maakt: “ons eigen ‘Amen’ zonder uitstel toevoegen aan de oproep van Christus”.

Mgr. Nusca neemt Jezus’ woorden tot de zeven Kerken van Klein-Azië (Openbaring 2-3) – zijn beoordeling van hun situatie, zijn bemoediging en waarschuwingen, de beelden die hij gebruikt en beloften die hij doet – om de heerlijkheid te bespreken die geopenbaard zal worden in Christus’ trouwe discipelen (Romeinen 8,18). Hij tekent ook de implicaties van die woorden voor de situatie van christenen vandaag, want als Openbaring gaat over “de dingen die zijn”, dan zijn de dingen van elke tijd evenzeer open voor beoordeling in haar licht en waarheid.

Een rode draad door de boodschappen aan de Kerken van Azië is getuigenis. Getuigenis kan echt zijn, met gevolgen in de tijd, of ontbrekend, omdat men Christus probeert aan te passen aan de wereld en haar afgoden. Mgr. Nusca vat zijn studie van de boodschap van Christus aan de zeven Kerken samen door een model voor te stellen voor vandaag: “de vrouw-getooid-met-de-zon-optie.”

Er is veel onenigheid over hoe de christen van vandaag zich moet verhouden tot de hedendaagse neo-heidense cultuur. Sommigen dringen aan op een “Augustinus-optie“, waarbij de strijd wordt aangebonden met de barbaren die zich niet aan de poorten maar in de stad en haar instellingen bevinden. Anderen stellen een “Benedictus-optie” voor, waarbij men zich terugtrekt in geïsoleerde en doelbewuste christelijke gemeenschappen. Mgr. Nusca’s “licht van de maan”-optie is mariaal (waarschijnlijk geïnspireerd door Openbaring 12): Zoals de maan het gezicht van de zon wordt door weerkaatsing, zo moet ons gezicht het gezicht van Christus zijn in de wereld, op welke manier we dan ook in die wereld passen. Zijn laatste hoofdstuk schetst een deel van de theorie achter hoe een cultuur aan te spreken die volgens sommigen niet zozeer actief anti-God is, maar gewoon zo onverschillig tegenover Hem dat Hij een ‘non-issue’ (red.: niet levende vraag) wordt.

Het wetenschappelijke gehalte en het betoog zijn van een serieus maar niet ontoegankelijk niveau voor serieuze lezers, inclusief degenen die zowel kennis als geestelijke vruchten willen plukken van het Boek Openbaring. Aanbevolen en actueel.

John M. Grondelski (Ph.D., Fordham)

John Grondelski:  John M. Grondelski (Ph.D., Fordham) is voormalig associate dean van de School of Theology, Seton Hall University, South Orange, New Jersey. Hij is vooral geïnteresseerd in moraaltheologie en het denken van Johannes Paulus II. Opmerking: Alle meningen die in zijn bijdragen in het National Catholic Register worden geuit, zijn uitsluitend die van de auteur.

Bron: Aquinas Proves God Exists and Faith Is Discoursed and Explained, as Culture Is Engaged| National Catholic Register (ncregister.com)


Keywoorden: | Agape | Alexis de Tocqueville | Augustinus-optie | Benedictus-optie | Christendom | Eerste oorzaak | Geloof en Rede | Gerard Verschuuren  | Geschiedenis van het Christendom | Gezicht van Jezus | God van de Openbaring | God van de Rede | Godsbewijs | Goedheid | H.Drie-eenheid | H.Thomas van Aquino | James M. Patterson | Jerry Falwell | John M. Grondelski | Liefde |  Manfred Lütz | Martin Luther King | Menswording | Mgr. Fulton Sheen | Mgr.Robert Nusca |  NCRegister | Noodzakelijk Zijnde | Openbaring | Rede | Schoonheid | Tolerantie | Waarheid


Wilt u meer lezen over bijvoorbeeld ‘H.Thomas van Aquino’? Klik dan hier , of gebruik één van de andere ‘tags’ boven aan dit artikel


220829 | [XLS000] |

AANVERWANTE ARTIKELEN
spot_img

Actueel