Kardinaal Eijk: Synoderapport over homoseksualiteit dient krachtig weerlegd te worden

16 mei 2026 – Kardinaal Willem Eijk preekt tijdens een mis op 31 juli ter ere van de stichting door kardinaal Burke van het Heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe in La Crosse, Wisconsin, in 2008. Foto: YouTube-kanaal van het Heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe |

 
 

NCRegister – Kardinaal Willem Eijk Commentaren |

 

Door dergelijke getuigenissen te belichten zonder leerstellig commentaar, normaliseert het verslag in feite homoseksuele relaties binnen een kerkelijke context.

 

Het onlangs gepubliceerde rapport van Studiegroep 9 van de synode betekent een verontrustende afwijking van de consistente morele leer van de katholieke Kerk. Hoewel de auteurs beweren dat zij “de expertise of, bovenal, de noodzakelijke kerkelijke bevoegdheid” ontberen om individuele morele kwesties definitief te behandelen, ondermijnen de methodologie en het kader van het rapport systematisch het vermogen van de Kerk om haar morele leer te verkondigen en toe te passen. Dit is niet louter een technische tekortkoming — het is een fundamentele tegenspraak met de katholieke leer die een krachtige reactie vereist.

De meest directe zorg betreft de behandeling van relaties tussen personen van hetzelfde geslacht in het rapport. Het document presenteert getuigenissen van personen met homoseksuele gevoelens zonder het morele kader van de Kerk te bieden om deze ervaringen te begrijpen. Het rapport zegt dat een getuige “getuigt van de ontdekking dat zonde, in wezen, niet bestaat in de (homoseksuele) relatie, maar in een gebrek aan geloof in een God die onze vervulling wenst.” De auteurs van het rapport nemen deze bewering over zonder correctie of verduidelijking.

De redenering van deze getuige is fundamenteel onjuist. Homoseksuele handelingen zijn intrinsiek slecht — dit is vaststaande katholieke geloofsleer. Een gelovige christen die zich met dergelijke handelingen bezighoudt, schiet zeker tekort in het geloof, voor zover hij er niet in slaagt te vertrouwen op Gods genade, die hem in staat stelt zonde te vermijden. Maar dit betekent niet dat de zonde in de eerste plaats ligt in een gebrek aan geloof in plaats van in de handeling zelf, zoals de getuige suggereert. Het feit dat de auteurs dit punt niet verduidelijken, creëert gevaarlijke dubbelzinnigheid.

Een tweede getuigenis is nog problematischer. Deze getuige zocht eerst hulp bij Courage International, het katholieke apostolaat dat mensen die zich aangetrokken voelen tot hetzelfde geslacht leert te leven in overeenstemming met de kerkelijke leer over kuisheid. Het rapport schetst een negatief beeld van Courage, door te suggereren dat het “geloof en seksualiteit scheidt” en door ten onrechte te beweren dat het conversietherapie aanbiedt. De getuige vindt uiteindelijk een toevluchtsoord in christelijke gemeenschappen en bij priesters die “mensen verwelkomen die worden afgewezen omdat ze tot de LGBT-gemeenschap behoren”. De duidelijke implicatie is dat deze tweede getuige, die in een homoseksuele relatie leeft, dit doet met de steun en goedkeuring van deze priesters en gemeenschappen.

Door dergelijke getuigenissen te benadrukken zonder leerstellig commentaar, normaliseert het rapport in feite homoseksuele relaties binnen een kerkelijke context. Dit is een duidelijke poging om de verkondiging van de katholieke moraalleer te verzwakken.

Het diepere probleem ligt in het gehele methodologische kader van het rapport. De auteurs maken alles ondergeschikt aan het beschrijven van een “synodaal proces” dat gericht is op de praktijken en ervaringen van mensen. Ze verwerpen expliciet wat zij noemen “het abstract verkondigen en deductief toepassen van principes die op een onveranderlijke en rigide manier zijn vastgelegd”. In plaats daarvan pleiten ze voor het handhaven van een “vruchtbare spanning tussen wat is vastgelegd in de leer van de Kerk en haar pastorale praktijk enerzijds, en de praktijken van het leven anderzijds”.

Deze taal klinkt pastoraal en christocentrisch, maar verbergt een radicale afwijking van de katholieke moraaltheologie. De auteurs beroepen zich op Jezus’ uitspraak dat “de sabbat voor de mens is gemaakt, en niet de mens voor de sabbat” om te suggereren dat morele normen niet absoluut kunnen zijn – dat er uitzonderingen moeten zijn op basis van individuele omstandigheden en ervaringen. Dit is een fundamentele verkeerde interpretatie van de Schrift.

Jezus’ leer over de sabbat had betrekking op goddelijke positieve wetten – normen die in de Schrift zijn geopenbaard en die niet intrinsiek absoluut zijn, tenzij ze samenvallen met de natuurwet. De joodse liturgische wetten zijn in het Nieuwe Testament inderdaad vervallen. Maar de morele wet betreffende het huwelijk en seksualiteit is van een geheel andere aard. Deze normen vloeien voort uit de natuurwet, die Gods bedoelingen weerspiegelt bij het scheppen van de mens, het huwelijk en de seksualiteit zelf.

God heeft het huwelijk geschapen als een wederzijdse totale zelfgave tussen een man en een vrouw, waardoor zij menselijk leven kunnen doorgeven. Seksuele differentiatie en openheid voor het leven zijn essentiële elementen van deze totale gave. Seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht kunnen geen dergelijke totale gave vormen, omdat zij door hun aard gesloten zijn voor de overdracht van leven. Elke handeling die Gods scheppingsintenties voor het huwelijk en seksualiteit schendt, is altijd ontoelaatbaar, zonder uitzondering. Dit zijn absolute normen van de natuurwet, vastgesteld om niet-onderhandelbare waarden te beschermen.

Het rapport creëert juist op dit punt opzettelijke dubbelzinnigheid. De auteurs schrijven dat “de universele waarheid van de mens, in haar historische uitdrukking, daarom niet voor eens en voor altijd kan worden vastgesteld, maar te vinden is in de concrete vormen van verschillende culturen, in een onophoudelijke dialoog.” Zij suggereren dat het bereiken van morele kennis een langdurig synodaal proces vereist van luisteren over culturen en ervaringen heen.

Dit is simpelweg onjuist. De bedoelingen waarmee God de mens heeft geschapen in de context van het huwelijk en seksualiteit zijn universele waarheden, voor eens en altijd vastgelegd, die mensen spontaan kunnen kennen via de natuurlijke moraalwet, en die te vinden zijn in de Heilige Schrift. De heilige Paulus leert dat wanneer heidenen “instinctief doen wat de wet vereist, zij, hoewel zij de wet niet hebben, een wet voor zichzelf zijn. Zij tonen aan dat wat de wet vereist, in hun hart geschreven staat” (Romeinen 2:14-15).

De afwijzing in het rapport van het toepassen van universele morele waarheden op specifieke handelingen wordt nog duidelijker in het principe van “pastoraal handelen”. Dit principe vormt de leidraad voor het “onderscheiden van opkomende kwesties” binnen het synodale proces. De commissie geeft de voorkeur aan de uitdrukking “opkomende kwesties” boven “controversiële kwesties” omdat “de logica van het opkomen de nadruk legt op het vermogen van het hele Volk van God om ‘bij de moeilijkheid te blijven’” in plaats van problemen op te lossen.

In de praktijk betekent dit het vermijden van “een probleemoplossend perspectief, of dat van degenen die menen actie te kunnen afleiden uit de eenvoudige toepassing van normen.” De commissie streeft niet naar “een generaliseerbare oplossing”, maar veeleer naar “concrete manieren om een proces in de vorm van luisteren op gang te brengen”. Dit betekent “het overwinnen van het theoretische model dat de praxis afleidt uit een ‘kant-en-klare’ leer”. Met andere woorden, het rapport veegt de toepassing van de kerkelijke leer en de klassieke moraaltheologie in de pastorale zorg en de biecht terzijde.

Dit vloeit voort uit een hardnekkig misverstand dat de pastorale theologie sinds de jaren zestig teistert: de opvatting dat pastorale zorg bestaat uit het vinden van compromissen tussen de morele leer van de Kerk en de concrete realiteit van het leven van mensen. Deze benadering gaat ervan uit dat morele waarheid een dubbele status heeft – abstracte leerstellige waarheid enerzijds, concrete existentiële waarheid anderzijds – waarbij voorrang wordt gegeven aan het laatste om ruimte te creëren voor uitzonderingen op universele normen.

Paus Johannes Paulus II verwierp deze benadering krachtig in Veritatis Splendor: “Op deze basis wordt getracht zogenaamde ‘pastorale’ oplossingen te legitimeren die in strijd zijn met de leer van het Magisterium, en een ‘creatieve’ hermeneutiek te rechtvaardigen volgens welke het morele geweten in geen enkel geval gebonden is aan een bepaald negatief voorschrift.”

Echte pastorale zorg zoekt geen compromissen met de morele waarheid. De herder leidt mensen naar de waarheid, die uiteindelijk te vinden is in de Persoon van Jezus Christus. Hij moet degenen die onder zijn hoede staan aanmoedigen om hun handelingen in overeenstemming te brengen met de waarheid zoals die in morele normen is vastgelegd. Er is geen sprake van oprechte pastorale naastenliefde wanneer de morele waarheid wordt verdoezeld of wanneer wordt gesuggereerd dat universele normen uitzonderingen toestaan op basis van individuele omstandigheden.

Het rapport van Studiegroep 9 is fundamenteel in tegenspraak met de katholieke moraalleer en ondermijnt de toepassing ervan op moreel gedrag grondig. Het relativeert de morele leer van de Kerk, met gevolgen die veel verder reiken dan kwesties van seksualiteit, tot aan de bescherming van het menselijk leven zelf. Dit rapport moet krachtig worden weerlegd.

Ondertussen kunnen de gelovigen er zeker van zijn dat een aantal kardinalen en bisschoppen hun bezwaren kenbaar zal maken aan het Romeinse leergezag.

De leer van de Kerk is niet duister, noch is zij onderhevig aan herziening via synodale processen. Het is de waarheid die ons vrijmaakt.

 
 

Kardinaal Willem Eijk is aartsbisschop van Utrecht, Nederland. Hij is voormalig arts en sinds 2004 lid van de Pauselijke Academie voor het Leven. Hij is de auteur van het in 2025 verschenen boek ‘De band van de liefde. Katholieke huwelijksmoraal en seksuele ethiek’, uitgegeven door KokBoekencentrum.

 
 

Bron: https://www.ncregister.com/commentaries/the-synods-dangerous-departure-study-group-9s-report dd 14 mei 2026.

Vertaling: EWTN Lage Landen (HR)



5,0 (2)

Beoordeel aub deze post.


Categorieën: ,

Volg EWTN.

Schrijf je in op onze nieuwsbrief!