Wanneer synodaliteit het geloof begint te herschrijven…

Mgr Rob Mutsaerts 12,5 jaar Bisschop Maart 2023 Foto (c) Marc de Koning

19 juli 2026 – Een kritische blik van Mgr. Mutsaerts |

 
 

Mgr. Rob Mutsaerts |

 

De brede ambitie van de Synode over Synodaliteit

De zogenoemde Synode over Synodaliteit, die van 2021 tot 2024 plaatsvond onder het pontificaat
van paus Franciscus, werd gepresenteerd als een proces van “communio, participatie en missie”.
Het ging daarbij niet uitsluitend om een vergadering van bisschoppen over een bepaald pastoraal
vraagstuk. De inzet was fundamenteler: de gehele Kerk moest leren “synodaal” te worden.
Synodaliteit werd omschreven als een bepaalde stijl, houding en werkwijze waarbij gelovigen
samen luisteren, onderscheiden en verantwoordelijkheid dragen. Paus Franciscus noemde
synodaliteit zelfs het geschikte interpretatiekader om het hiërarchische ambt te begrijpen.

 

Het probleem van een ongedefinieerd begrip

Juist deze brede ambitie vormt een gevaar. Niet omdat overleg, luisteren of samenwerking
onkatholiek zouden zijn, maar omdat het begrip synodaliteit niet gedefinieerd is. Het kan tegelijk
verwijzen naar spiritualiteit, consultatie, kerkbestuur, besluitvorming, deelname van leken,
bisschoppelijke collegialiteit en de verhouding tussen lokale kerken en Rome. Een begrip dat bijna
alles kan betekenen, kan gemakkelijk worden gebruikt om veranderingen door te voeren zonder
precies te zeggen welke theologische of juridische verandering plaatsvindt.

 

Synodaliteit als nieuw paradigma in de Kerk

De Kerk kent vanaf haar vroegste eeuwen concilies en bisschoppensynoden. Ook het Tweede
Vaticaans Concilie benadrukte de collegialiteit van de bisschoppen en de waardigheid en
verantwoordelijkheid van alle gedoopten. De term “synodaliteit” in zijn huidige, programmatische
betekenis is echter nieuw. Onder Franciscus werd synodaliteit niet langer slechts een aanduiding
van bepaalde kerkelijke vergaderingen, maar een “constitutieve dimensie” van heel het kerkelijke
leven, wat dat ook moge betekenen.

Hier ontstaat het eerste risico: een verschuiving van de goddelijke constitutie van de Kerk
naar een permanent proces. Volgens de katholieke ecclesiologie is de Kerk geen gemeenschap die
zichzelf telkens opnieuw uitvindt. Zij ontvangt haar wezen, geloof, sacramenten en ambten van
Christus. De bisschoppen zijn geen afgevaardigden van een kerkelijk electoraat, maar opvolgers van
de apostelen.

 

Het risico van procesmatig gezag

Wanneer voortdurend wordt gesprokener “samen onderweg zijn”, “open processen” en besluiten
die idealiter uit een gezamenlijke onderscheiding voortkomen, kan de indruk ontstaan dat gezag pas
legitiem wordt nadat alle betrokkenen gehoord zijn. Het einddocument van 2024 bevestigt
weliswaar uitdrukkelijk dat de beslissingsbevoegdheid van bisschop, bisschoppencollege en paus
onvervreemdbaar is. Tegelijk verlangt het dat gezagsdragers breed consulteren en, wanneer zij
anders beslissen dan geadviseerd, uitleggen hoe zij de ontvangen adviezen hebben verwerkt. Dit
kan redelijk klinken, maar dreigt het gezag te veranderen in een verantwoordingsplicht tegenover
een procesmatig gevormde meerderheid.

 

Verwarring tussen sensus fidei en publieke opinie

Een tweede gevaar is de verwarring tussen de sensus fidei en publieke opinie. De katholieke
traditie erkent dat de gedoopten door de Heilige Geest een bovennatuurlijk geloofsinstinct bezitten.
Dat betekent echter niet dat iedere mening van iemand die zichzelf katholiek noemt, een uiting van
de sensus fidelium is. De sensus fidei wordt uitgeoefend binnen het geleefde geloof, in
verbondenheid met de Schrift, de Traditie en het leergezag. Het volk Gods ontvangt het Woord
onder leiding van het magisterium; het produceert niet door overleg een nieuwe openbaring.
Kardinaal Robert Sarah heeft daarom terecht gewaarschuwd tegen een klakkeloze vereenzelviging
van katholieke identiteit met de sensus fidei. Culturele identificatie of formeel kerklidmaatschap is
nog geen belijdenis van het katholieke geloof. Wanneer synodale verslagen wensen, frustraties en
sociologische gegevens behandelen alsof daarin rechtstreeks de stem van de Heilige Geest klinkt,
ontstaat een theologische kortsluiting. De Geest spreekt niet tegen de door Hem geïnspireerde
Schrift en de overgeleverde geloofsleer in.

 

Pastorale taal als vehikel voor leerstellige verandering

Het derde risico is doctrinaire verandering door middel van pastorale taal. Synodale
documenten zeggen doorgaans dat het niet om parlementaire besluitvorming of wijziging van de
leer gaat. Toch worden juist controversiële thema’s – seksualiteit, de positie van vrouwen, de
inrichting van het ambt en de decentralisatie van gezag – herhaaldelijk in synodale processen
ingebracht. De vorm kan daardoor een inhoudelijke werking krijgen. Wat niet rechtstreeks als
leerstellige verandering wordt voorgesteld, kan via gewijzigde pastorale praktijken, terminologie en
lokale experimenten alsnog normatief worden.
Kardinaal Raymond Burke formuleert dit bezwaar bijzonder scherp. Hij stelt dat de huidige
synodaliteit de hiërarchische constitutie van de Kerk dreigt te wijzigen en dat Christus, de
goddelijke instelling van de Kerk en de redding van zielen onvoldoende centraal staan. Zijn
waarschuwing moet niet worden afgedaan als louter verzet tegen dialoog. Zij raakt een essentieel
katholiek beginsel: pastorale methoden mogen nooit zo zelfstandig worden dat zij feitelijk de
geloofsleer gaan corrigeren.

 

Institutionele onzekerheid door permanente consultatie

Een vierde gevaar is permanente institutionele onzekerheid. Als ieder bestuursniveau
voortdurend moet luisteren, onderscheiden, evalueren en opnieuw consulteren, kan daadkracht
plaatsmaken voor procedure. De Kerk wordt dan voorgesteld als een organisatie die nog moet
ontdekken wat zij is en wat zij moet verkondigen. Bovendien kunnen professioneel georganiseerde
belangengroepen, theologische elites en kerkelijke bureaucratieën meer invloed krijgen dan gewone
gelovigen die eenvoudig trouw willen blijven aan de geloofs- en zedenleer.

 

Christus komt vóór het proces

Dit alles betekent niet dat de Kerk iedere ontwikkeling of hervorming afwijst. Katholieke continuïteit is
geen onbeweeglijkheid. De leer kan zich verdiepen en kerkelijke structuren kunnen worden
verbeterd. Maar authentieke ontwikkeling bewaart identiteit; zij presenteert geen nieuwe
bestuurscultuur alsof deze achteraf altijd al de essentie van de Kerk is geweest. Het probleem is
daarom niet synodaal overleg als zodanig. Het probleem ontstaat wanneer synodaliteit van een
begrensd hulpmiddel leidt tot een paradigma-verschuiving
De noodzakelijke correctie bestaat uit een duidelijke rangorde. Christus komt vóór het proces;
openbaring vóór ervaring; geloof vóór opinie; het apostolische ambt vóór bestuurlijke participatie;
heiligheid en bekering vóór institutionele representativiteit. Consultatie kan de herder helpen, maar
zij verleent hem niet zijn gezag. De gelovigen moeten worden gehoord, maar het geloof wordt niet
door stemming vastgesteld. De Kerk mag samen op weg zijn, maar alleen omdat zij reeds een
ontvangen Weg kent: Jezus Christus, dezelfde gisteren, heden en in eeuwigheid. Het is tijd om een
punt te zetten achter deze malheur.

 
 

+ Rob Mutsaerts



5,0 (3)

Beoordeel aub deze post.


Categorieën: ,

Dossier(s):

Volg EWTN.

Schrijf je in op onze nieuwsbrief!