‘Amoris Laetitia’ 10 jaar later: de benadering van paus Leo

18 oktober 2026 – Paus Leo XIV ontmoet op 7 oktober 2026 de voorzitters van bisschoppenconferenties uit de hele wereld tijdens een bijeenkomst ter gelegenheid van de tiende verjaardag van Amoris Laetitia. Foto: Simone Risoluti / Vatican Media |

 
 

NCRegister – Patrick Brown |

 

COMMENTAAR: Nu het huwelijk aan populariteit inboet en het aantal echtscheidingen daalt, staat de Kerk voor een nog dringender uitdaging: jongeren bereiken en het huwelijk aantrekkelijker, toegankelijker en zinvoller maken.

 

In zijn gedicht Annus Mirabilis roept de Britse dichter Philip Larkin op weemoedige en schalkse wijze het gevoel op dat de seksuele revolutie in 1963 begon — „tussen het einde van het verbod op Chatterley en de eerste LP van de Beatles“.

Voor degenen die zich een wereld van vóór de seksuele revolutie kunnen herinneren, is het begrijpelijk dat hun visie hoe de katholieke Kerk de moderne wereld kan benaderen er anders uitziet dan die van degenen voor wie dat verleden slechts een vage herinnering is – of die het helemaal niet hebben meegemaakt.

In 1963 was Jorge Bergoglio een 26-jarige lid van de Sociëteit van Jezus, in opleiding tot priester. Robert Prevost was een 8-jarige jongen in Illinois, nog maar net oud genoeg om misdienaar te zijn. Alleen al dat verschil – of men de seksuele revolutie nu uit eerste hand heeft meegemaakt of grotendeels is opgegroeid in de nasleep ervan – kan helpen verklaren waarom de recente Vaticaanse conferentie over het gezin minder gespannen aanvoelt dan de publicatie van Amoris Laetitia tien jaar geleden.

Dat document, een postsynodale exhortatie die bedoeld was om een reeks bijeenkomsten over gezinskwesties samen te vatten, bevatte veel dat de Kerk had kunnen helpen om dieper na te denken over het huwelijk en het gezinsleven. Maar het leek ook verstrikt te raken in strijdpunten die de Kerk naar binnen deden keren, en dat gold ongetwijfeld het meest voor de vraag of gescheiden en hertrouwde mensen de communie mochten ontvangen.

Voetnoot 351, en de suggestie daarin dat degenen die in „objectief“ zondige omstandigheden leven na voldoende afweging welkom zouden kunnen zijn aan het feestmaal van de Heer, nam een groot deel van de ontvangst van het document onder de katholieke intelligentsia in beslag. Men zag het, terecht, als rakend aan de kern van de leer van de Kerk rond de onontbindbaarheid van het huwelijk en de praktische toepassing daarvan in de hedendaagse samenleving.

„Dit woord is hard“, leken sommige van de meest uitgesproken verdedigers van de voetnoot vaak te suggereren. „Wie kan dit aanvaarden?“

Tien jaar later heeft Amoris Laetitia niet geleid tot de ingrijpende herziening van de katholieke seksuele ethiek waarvoor de tegenstanders vreesden — of waarop sommige van de voorstanders stilletjes hadden gehoopt. Het document, samen met de dubia die het inspireerde, gaf eerder aan in welke richting het pontificaat van paus Franciscus zijn laatste jaren zou doorbrengen — twee kampen, verstrikt in het soort zelfreferentiële, onderling vernietigende geschillen die de overleden paus altijd veroordeelde, maar toch onvermijdelijk aanwakkerde.

Een deel van de frisse wind in Rome is waarschijnlijk te danken aan de minder confronterende aanpak van paus Leo XIV. In zijn openingswoord tijdens de conferentie van deze week verwees hij indirect naar de controverse die werd aangewakkerd door de voetnoot in Amoris Laetitia: „Kwetsbaarheid hoort bij onze gemeenschappelijke menselijke conditie en dus ook bij het leven van de Kerk. We kennen allemaal de kloof tussen het goede dat we nastreven en wat we daadwerkelijk kunnen naleven.”

Misschien staat ons nog vuurwerk te wachten — maar dat is nooit de stijl van Leo XIV geweest.

Maar afgezien van de generatiekloof tussen Franciscus en Leo XIV heeft een andere ontwikkeling ervoor gezorgd dat de oude strijd iets minder op de voorgrond treedt. De zeeën van inkt die zijn vergoten over echtscheiding en hertrouwen binnen de Kerk gingen uit van een sociologische realiteit die niet langer opgaat — de echtscheidingscijfers, hoewel nog steeds te hoog, blijven dalen, naarmate het huwelijk steeds minder een norm wordt en steeds meer een zelfgekozen instelling. Een langdurige strijd over de beste manier om mensen te begeleiden wier huwelijk is verbroken, voelt minder urgent en minder noodzakelijk dan een gezamenlijke inspanning om de culturele krachten te begrijpen en aan te pakken die het huwelijk veranderen van een sacrament in een lidmaatschap van een countryclub.

De cijfers zijn misschien bekend, maar ze zijn niettemin opvallend. Rond de tijd dat de toekomstige paus Franciscus tot priester werd gewijd en de jonge Bob Prevost naar de middelbare school ging, was het huwelijk de norm. In 1970 waren drie op de vier Amerikaanse jongvolwassenen (22 tot 39 jaar) getrouwd. Tegenwoordig is dat iets meer dan één op de drie.

De ineenstorting van het huwelijk is bijzonder acuut onder Amerikanen uit de arbeidersklasse en zonder hogere opleiding. Amerikanen zonder hogere opleiding trouwden vroeger vaker dan degenen met een bachelordiploma of hoger, maar dat is nu omgekeerd: Slechts 30% van de Amerikanen in de twintig en dertig die niet naar de universiteit zijn geweest, is getrouwd. Onder degenen met een bachelordiploma of hoger is dat bijna de helft (45%).

Gezien die demografische realiteit lijkt het, als we theologische debatten richten op wat te doen wanneer huwelijken worden ontbonden, alsof we door de bomen het bos niet meer zien. Naarmate het aantal huwelijken is afgenomen, is ook het aantal echtscheidingen gedaald. Het echtscheidingspercentage bereikte in de jaren tachtig een hoogtepunt, met ongeveer 22 echtscheidingen per 1.000 getrouwde vrouwen, maar is nu gedaald tot bijna de helft daarvan.

Elke gezinsbreuk is een tragedie, maar door die debatten de aandacht te laten opeisen die beter besteed zou kunnen worden aan het bedenken van manieren om jonge mensen te bereiken – en het huwelijk aantrekkelijker, toegankelijker en zinvoller te maken – voelt het als een gemiste kans.

De paus sprak in zijn openingswoord een soortgelijke hoop uit:

Jongeren blijven verlangen naar liefde, trouw en verbondenheid, maar velen vinden het moeilijk te bevatten hoe zo’n visie op liefde in hun eigen leven vorm kan krijgen, of te geloven dat een levenslange verbintenis de voorwaarde is om te bereiken wat zij verlangen.

Deze vragen – hoe de Kerk beter kan inspelen op de behoeften van jongeren – wil ik de komende maanden graag dieper onderzoeken als regelmatiger medewerker van de Register. Een generatie die is opgegroeid in een postconciliaire wereld na de seksuele revolutie heeft behoefte aan nieuwe benaderingen en nieuwe debatten, anders dan die welke de cultuur domineerden waarin de Kerk als alomtegenwoordig kon worden beschouwd.

Paus Franciscus groeide op in een cultuur die gekenmerkt werd door klerikalisme en, misschien, een te grote nadruk op Gods oordeel boven Zijn barmhartigheid. Het is niet verwonderlijk dat zijn pontificaat herhaaldelijk op die thema’s terugkwam, waarbij hij benadrukte dat herders „de geur van de schapen“ moeten aannemen en een „veldhospitaal“ moeten runnen, waarbij ze met tederheid reageren op degenen die gekwetst zijn door de hooghartigheid van de Kerk. In sommige delen van de wereld is die boodschap wellicht nog steeds nodig.

Maar de Kerk in het Westen staat voor nieuwe problemen — namelijk het bereiken van de vervreemden, de geïsoleerden, degenen die het evangelie hebben gehoord en het hebben afgewezen, en degenen die het nog nooit hebben gehoord. De synodes en luistersessies waarin mensen met een losse band met de Kerk wordt gevraagd te vertellen wat zij graag veranderd zouden zien, hebben nooit echt de vruchten afgeworpen waarop hun grootste voorstanders hadden gehoopt.

En, zo blijkt, zou een paus die minder geïnteresseerd is in het herkauwen van interne discussies en meer in het verdedigen van de mensheid tegen het techno-utopisme van onze zelfbenoemde Silicon Valley-heersers, wel eens het soort morele getuigenis kunnen bieden dat aantrekkelijker is dan weer een nieuwe ronde van voetnootoorlogen.

 
 

Patrick Brown Patrick T. Brown is fellow bij het Life and Family Initiative van het Ethics and Public Policy Center, waar zijn werk zich richt op het ondersteunen van gezinnen als hoeksteen van een bloeiende samenleving. Hij schrijft de wekelijkse Substack-nieuwsbrief “Family Matters.” Patrick woont in Columbia, South Carolina, met zijn vrouw en hun vier kinderen.

 
 

Bron: https://www.ncregister.com/commentaries/patrick-brown-amoris-laetitia-ten-years dd 13 oktober 2026.

Vertaling: EWTN Lage Landen (HR)



★ ★ ★ ★ ★
5,0 (1)

Beoordeel aub deze post.


Categorieën: ,

Dossier(s):

Volg EWTN.

Schrijf je in op onze nieuwsbrief!