Jezuïeten-martelaren en de Tudor-terreur

5 augustus 2026 – De Tower of London. Foto: Iakov Kalinin / Shutterstock |

 
 

Joseph Pearce Commentaren |

 

COMMENTAAR: De verhalen van John Gerard, Robert Southwell en andere jezuïeten-missionarissen tonen de moed van katholieken die de zwaarste religieuze vervolging in Engeland hebben doorstaan.

In oktober 1588, enkele weken na de nederlaag van de Spaanse Armada, landde een jonge jezuïetenpriester, die net 24 jaar was geworden, in het geheim aan de kust van Norfolk. Dit was pater John Gerard, die voorbestemd was om een van de meest succesvolle missionarissen te worden en daardoor ook een van de meest gezochte personen door de regering van Elizabeth.

De komende vijf en een half jaar zou hij de Engelse missie in East Anglia dienen, waarbij hij aan arrestatie wist te ontkomen en de autoriteiten wist te ontwijken. Uiteindelijk werd hij in april 1594 gearresteerd en vervolgens, na drie jaar in de gevangenis, overgebracht naar de Tower of London om daar gemarteld te worden. In oktober 1597 wist hij op gewaagde wijze uit de Tower te ontsnappen, met behulp van een touw dat vanaf een kanon op het dak van een van de torens over de gracht was gespannen naar een kade aan de rivier de Theems.

Pater Gerard bleef de daaropvolgende acht jaar op vrije voeten en verplaatste zich voornamelijk tussen Northamptonshire en Londen, waar hij de Engelse katholieken diende, onder wie hooggeplaatste katholieken die toegang hadden tot het hof van de koningin, zoals de graaf van Southampton, een favoriet van de koningin die tegelijkertijd een vrome katholiek en vertrouweling was van de jezuïetenpriester, de heilige Robert Southwell, en tevens beschermheer van William Shakespeare.

William Byrd, componist van de Chapel Royal, was een andere favoriet van de koningin. Hoewel Elizabeth op de hoogte was van Byrds weigering om de anglicaanse eredienst bij te wonen, koos ze er niet alleen voor om dit door de vingers te zien, maar gaf ze haar ministers ook opdracht hem te beschermen tegen de antikatholieke wetten. Uit hofverslagen blijkt dat bij meer dan één gelegenheid pogingen om Byrd en zijn vrouw een boete op te leggen vanwege hun weigering om anglicaanse diensten bij te wonen, werden gestaakt „op bevel van de procureur-generaal van de koningin“.

Elizabeth greep niet alleen persoonlijk in om Byrd van vervolging te redden, maar schonk hem in 1595 zelfs de pacht van Stondon Place, als erkenning voor zijn trouwe dienst als haar hofcomponist. En toch, aldus Byrds biograaf, „hoe loyaal en omzichtig Byrd ongetwijfeld ook was, hij was nauwer betrokken bij katholieke kringen en wist waarschijnlijk meer over katholieke intriges dan uit de kale schriftelijke verslagen blijkt.”

Als dit voor Byrd geldt, geldt het evenzeer voor William Shakespeare, die opgroeide in een recusantengezin (katholieke weigeraars van de anglicaanse diensten werden ‘recusanten’ genoemd, -red). en die na zijn aankomst in Londen zijn katholieke sympathieën lijkt te hebben behouden.

De parallellen tussen William Byrd en William Shakespeare zijn het vermelden waard. Er zijn aanwijzingen dat Byrd de jezuïet-martelaar Edmund Campion gekend zou kunnen hebben, net zoals er aanwijzingen zijn dat Shakespeare waarschijnlijk de jezuïet-martelaar Robert Southwell gekend heeft, en er wordt verondersteld dat Byrd mogelijk deel uitmaakte van de menigte die getuige was van Campions martelaarschap, en dat Shakespeare mogelijk getuige was van het martelaarschap van Southwell. William Byrd zette een deel van het gedicht van St. Henry Walpole, waarin Campion werd geprezen, op muziek en riskeerde daarmee de toorn van de koningin door zijn muzikale bewerking van het gedicht in 1588 te publiceren; Shakespeare verwijst in verschillende van zijn toneelstukken naar de poëzie van St. Robert Southwell, waaronder Romeo en Julia, De koopman van Venetië, Hamlet en Koning Lear.

Terwijl jezuïetenpriesters, zoals John Gerard en Robert Southwell, erin slaagden om jarenlang aan gevangenneming te ontkomen, hadden andere, pas aangekomen priesters niet zoveel geluk. Vier priesters die in maart 1590 aan de noordoostkust van Engeland aankwamen, in de verwachting bij hun aankomst te worden opgewacht en vervolgens van het ene schuiladres naar het andere te worden gebracht, merkten dat ze volkomen alleen waren en geen enkele hulp konden krijgen, omdat het ondergrondse netwerk door spionnen was verraden. Omdat ze weinig andere keuze hadden dan de lange reis naar het zuiden zonder enige hulp te maken, begingen ze de fatale fout om samen te reizen in plaats van zich op te splitsen. Verraden door iemand die zich voordeed als katholiek om hun vertrouwen te winnen, werden ze berecht en geëxecuteerd. De paters Richard Hill, John Hogg, Richard Holiday en Edmund Duke werden op 27 mei 1590 in Dryburn, aan de rand van Durham, opgehangen, geradbraakt en gevierendeeld.

De manier waarop de huizen van recusanten werden bestormd en doorzocht door de priesterjagers van de regering, werd beschreven door Robert Southwell:

Hun manier van doorzoeken is om met een troep mannen naar het huis te komen alsof ze komen om op het slagveld te vechten. Ze omsingelen het huis van alle kanten, stormen dan naar binnen en doorzoeken elke hoek — zelfs de bedden en de boezems van vrouwen — met zo’n brutale houding dat hun schanddaden van deze aard bijna een martelaarschap zijn. Ze bevelen de mannen te blijven staan en op hun plaats te blijven; en alles wat van waarde is en hen onderweg tegenkomt, steken ze vaak in hun zakken, zoals juwelen, zilverwerk, geld en dergelijke goederen, onder het voorwendsel van pausgezindheid. … Wanneer zij boeken, kerkelijke voorwerpen, kelken of andere soortgelijke zaken aantreffen, nemen zij die mee, niet uit enige religieuze overweging, maar om er winst mee te maken.

In oktober 1591 waren negen of tien jezuïeten, diverse andere priesters, evenals een aantal leken die ondergedoken leefden, bijeengekomen voor een bijeenkomst in Baddesley Clinton, een groot huis van recusanten in Warwickshire. Uit vrees dat er niet genoeg ‘priesterhollen’, schuilplaatsen waren om zo’n groot aantal voortvluchtigen te verbergen, werd de bijeenkomst kort gehouden. Een aantal priesters en leken verspreidde zich, terwijl de rest in het huis achterbleef. Om vijf uur de volgende ochtend werd het huis overvallen.

„Ik was aan het mediteren”, schreef pater Gerard, „pater Southwell begon net met de mis en de rest was aan het bidden, toen ik plotseling een groot tumult buiten de hoofdingang hoorde.” Er werd veel geschreeuwd en gevloekt tegen een bediende die de priesterjagers de toegang weigerde. Als deze „trouwe bediende hen niet had tegengehouden … zouden we allemaal gepakt zijn.”

Omdat er geen tijd te verliezen was, trok pater Southwell zijn gewaden uit en ontdeed hij het altaar van alle versieringen. Ondertussen grepen de andere priesters al hun persoonlijke bezittingen, zodat er niets achterbleef dat de aanwezigheid van een priester zou verraden.

„Zelfs onze laarzen en zwaarden werden verstopt”, schreef pater Gerard, „ze zouden argwaan hebben gewekt als niemand van de mensen aan wie ze toebehoorden, te vinden was geweest.”

De vijf jezuïetenpriesters, van wie er drie voorbestemd waren om de marteldood te sterven, twee seculiere priesters en twee of drie leken klommen in een soort ondergrondse grot, waarvan de vloer bedekt was met water. Hier bleven ze vier uur lang, terwijl de priesterjagers elke hoek, elk hoekje en elk gaatje doorzochten, tevergeefs op zoek naar hun prooi. Hoewel Robert Southwell bij deze gelegenheid aan de greep van Elizabeths handlangers wist te ontsnappen, zou hij het jaar daarop uiteindelijk worden verraden, nadat hij zich zes jaar lang aan gevangenneming had weten te onttrekken. Hij zou drie jaar lang wrede martelingen moeten doorstaan, zonder ook maar één keer informatie aan zijn folteraars prijs te geven. Zijn verbazingwekkende veerkracht en moed leverden hem het schoorvoetende respect op van een van degenen die getuige waren van zijn ondraaglijke lijden.

„Ze scheppen op over de helden uit de oudheid,” schreef Robert Cecil, de zoon van Lord Burghley (William Cecil), de eerste minister van Elizabeth, „maar wij hebben een nieuwe marteling die voor een mens onmogelijk te verdragen is. En toch heb ik Robert Southwell eraan zien hangen, roerloos als een boomstam, en niemand was in staat ook maar één woord uit zijn mond te krijgen.”

In de herfst van 1593 voer een andere jezuïet, pater Henry Walpole, naar Engeland. Zijn reis werd gevolgd door de spionnen van Elizabeth en hij werd opgespoord en gearresteerd, slechts drie dagen nadat hij in Bridlington in Yorkshire aan land was gekomen. Na een korte gevangenschap in York Castle werd hij overgebracht naar de Tower of London. Daar werd hij maar liefst 14 keer gemarteld onder toezicht van de sadistische Richard Topcliffe, en onderging hij hetzelfde gruwelijke lot als zijn jezuïetenbroeder, Robert Southwell. Beide mannen zouden in 1595 worden opgehangen, geradbraakt en gevierendeeld, het gebruikelijke lot van de meeste martelaren.

Toen hij in Tyburn in de kar stond, onder de galg en met de strop om zijn nek, maakte pater Southwell het kruisteken en reciteerde hij een passage uit Romeinen, hoofdstuk 9. Toen de sheriff hem probeerde te onderbreken, riepen mensen uit de menigte – van wie velen sympathie koesterden voor de benarde situatie van de jezuïet – dat hij mocht blijven spreken. Hij bekende dat hij een jezuïetenpriester was en bad voor de redding van de koningin en zijn land.

Terwijl de kar werd weggetrokken, beval hij zijn ziel aan God met dezelfde woorden die Christus vanaf het kruis had gebruikt: In manus tuas (“In Uw handen, Heer, beveel ik mijn geest”). Toen hij in de strop hing, drongen sommige toeschouwers naar voren en trokken aan zijn benen om zijn dood te bespoedigen, voordat hij kon worden losgesneden en levend zou worden ontdaan van zijn ingewanden. Southwell was 33 jaar oud, dezelfde leeftijd als Christus ten tijde van zijn kruisiging.

 
 

Joseph Pearce Joseph Pearce is gastdocent literatuur aan de Ave Maria University en gastonderzoeker aan het Thomas More College of Liberal Arts (Merrimack, New Hampshire). Hij is auteur van meer dan 30 boeken, redacteur van de St. Austin Review, reeksredacteur van de Ignatius Critical Editions, senior docent bij Homeschool Connections en senior medewerker bij The Imaginative Conservative en Crisis Magazine. Zijn persoonlijke website is jpearce.co.

 
 

Bron: https://www.ncregister.com/commentaries/pearce-jesuit-martyrs-and-the-tudor-terror dd 31 juli 2026.

Vertaling: EWTN Lage Landen (HR)



0,0 (0)

Beoordeel aub deze post.


Categorieën: ,

Dossier(s):

Volg EWTN.

Schrijf je in op onze nieuwsbrief!